COMPONIST

1923-1924

In 1923 meende Eisler dat hij voldoende toegerust was om zich als zelfstandig componist te presenteren. Zijn composities werden sindsdien van opusnummers voorzien, te beginnen met de Klaviersonate opus 1. In maart 1923 toonde hij zijn leraar de eerste delen van deze sonate en tot zijn grote vreugde viel het werk in de smaak bij Schönberg. Eisler kreeg bovendien een contract met de Weense muziekuitgeverij Universal-Edition, nadat Schönberg de directeur van de UE een positieve aanbevelingsbrief voor Eisler geschreven had. De eerste Klaviersonate werd door Eisler met de grootste verering aan zijn leermeester opgedragen. Zij draagt de titel: "Arnold Schönberg in größter Verehrung". Sprankelende muziek, met een kernachtige en doorwrochte behandeling van motieven, dat zijn een paar kenmerken van Eislers Sonate nummer 1.:

MUZIEK
Berlin Classics 0184492BC
Walter Olbertz

Eisler schreef, behalve zijn eerste pianosonate, in 1923 nog meer interessante werken. Om te beginnen de Sechs Lieder für Gesang opus 2. Deze liederen droeg hij op aan Anton Webern, van wie hij ook nog enige tijd les gehad heeft. Het gaat om teksten van de dichters Claudius en Klabund en om een oud-chinese tekst in de vertaling van Bethge. Vervolgens, de Vier Klavierstücke opus 3, levendige stukken, waarin Eisler heel vrij de methode van de twaalftoontechniek toepast. Tenslotte het Divertimento für Bläserquintet opus 4 voor fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn. Een bezetting die Schönberg voor zijn Bläserquintett uit dezelfde periode eveneens gebruikte en naar verluid zou Schönberg Eisler tot het schrijven van dit blaaskwintet hebben aangezet.

--------§§§---------

De Palmströmlieder opus 5 op tekst van Christian Morgenstern werden geschreven in 1924. Eisler paste hierin het "Sprechgesang" toe, een techniek die het midden houdt tussen spreken en zingen en door Schönberg in de cyclus Pierrot Lunaire gebruikt werd. Maar de manier waarop Eisler Schönberg nabootste, toonde aan dat hij zich langzamerhand van zijn leraar verwijderde. Hij paste wel de twaalftoontechniek toe en koos voor een instrumentatie die met Pierrot Lunaire overeenkomt; zijn liederen zijn echter niet zo esoterisch als die van Schönberg, maar eerder ironisch van aard.

Het derde lied, dat de veelzeggende titel
"L'art-pour-l'art" draagt, gaat over de kunstenaar (Korf)
die verrukt is van schone vormen en deze probeert te vangen.
Maar het kunstwerk beklijft niet, het verdwijnt zodra men het wil vastleggen:

"Das Schwirren eines aufgeschreckten Sperlings
begeistert Korf zu einem Kunstgebilde
das nur aus Blicken, Mienen und Gebärden besteht
Mann komt mit Apparaten, es aufzunehmen:
Doch Korf entsinnt sich seines Werks nicht mehr."

Overige composities 1924:
Zweite Klaviersonate opus 6,
Duo für Violine und Violoncello opus 7,
Steichquartett opus 8 (begin)

Alleen met zijn eerste pianosonate uit 1923 had Eisler succes.
De pianist Eduard Steuermann gaf er verscheidene uitvoeringen van.
Toen Else Kraus in Berlijn een uitvoering van deze sonate wilde geven
ging Eisler voor het eerst naar Berlijn. De komende tien jaren werd deze stad zijn verblijfplaats.


VERDER naar Berlijn

terug

home