
"Mich langweilt moderne Musik,
sie interessiert mich nicht..."
Hoewel Eisler in begin 1925 de aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars van de stad Wenen kreeg, besloot hij toch deze stad te verlaten. De sfeer in de stad beviel hem niet erg: hij vreesde dat zijn composities alleen voor een klein snobistisch publiek toegankelijk zouden zijn. Daarom was hij op zoek naar een nieuw publiek, dat hij enige tijd later in de arbeiderskringen vond. Toch zou hij nog deelnemen aan een paar avant-gardistische festivals: in juli aan het Donaueschinger Festival, waar zijn Sechs Lieder opus 2 werden uitgevoerd, en in september aan het festival van het Internationale Gezelschap voor Nieuwe Muziek in Venetië. Op laatstgenoemd festival werd Eislers Duo für Violine und Violoncello opus 7 uitgevoerd, en bovendien Schönbergs eerste 12-toonsstuk, de Serenade opus 24.
Toen Eisler na het festival in Venetie met de trein naar Berlijn reisde, waar hij sinds kort een woning had, was hij in gezelschap van Zemlinsky. Deze Alexander von Zemlinsky was een zwager van Schönberg. Tijdens de reis begon Eisler, zeer onvoorzichtig, kritiek te uiten op Schönberg en op diens 12-toonstechniek. Eisler zei tegen Zemlinsky dat hij meer dan genoeg had van "moderne" muziek, hij vond 12-toonsmuziek geen muziek en nam ook afstand van zijn eigen laatstgecomponeerde werken.
Dit zogenaamde "Eisenbahngespräch" werd door Zemlinsky aan Schönberg overgebracht, die daarop in woede ontstak. Er ontstond een briefwisseling tussen Schönberg en Eisler,waarbij Schönberg Eisler een met mode-woorden volgepropte, 'dernier cri'-burgerknaap noemde. De verwijdering tussen leraar en leerling was hiermee een feit. Achteraf, 25 jaar later zou Eisler erkennen dat hij zich ondankbaar en brutaal tegenover zijn leraar gedragen had. Zijn leven lang zou hij Schönberg vereren als een bijzondere man, die, hoewel conservatief in politiek opzicht, in de muziek een revolutionair was geweest.
