Berlijn was in de twintiger jaren een bruisende stad vol tegenstellingen: de opkomst van het fascisme was merkbaar, maar ook de linkse arbeidersbeweging liet van zich horen. Tegelijkertijd gebeurde er op artistiek gebied enorm veel: filmexperimenten van Walter Ruthmann, theatervernieuwingen van Erwin Piscator, verrassende literatuur van Kurt Tucholsky, Bertolt Brecht en vele andere schrijvers. Al deze activiteiten op kunstzinnig gebied droegen bij tot een cultureel klimaat van vrijheid, losbandigheid en van confrontatie met de overheersende, burgerlijke moraal. Berlijn was bovendien het Europese middelpunt van de "roaring twenties" met zijn revues, moderne dansen en uitdagende mode.
Dat Eisler, die maar een "provinciaal" uit Wenen was, zich in Berlijn in het begin toch wat eenzaam voelde, blijkt uit de kleine cantate Tagebuch uit 1926. Deze geestige compositie, voor vrouwenterzet, tenor, viool en piano, vertelt hoe hij eerst nogal huiverig is om naar een vreemde stad te reizen. Maar in het laatste deel: "Guter Rat", spreekt hij zichzelf moed in; hij richt zijn blik op de werkelijkheid van de nieuwe tijd. Eisler voegt veelbetekenend het motief van de Internationale toe aan de pianopartij.
"Liebes Kind, sei doch nicht so niedergeschlagen!
Traure doch nicht mit soviel Behagen;
sprich nicht soviel von deinem Leid
in dieser verdammt intressanten Zeit!"
"Frisch sein! Die Augen auf statt zu!
Sonst decken wir dich heute noch
Mit Notenpapieren zu!"
"Das Reisen kann nicht schön sein,
reist man ganz allein!
Sitzt man erst in der Eisenbahn
fängt das Leben leider an!"