Zijn artikel begon zo:
"Er war kein Komponist des Proletariat und doch gehört seine Musik
uns, der aufsteigende Arbeiterklasse, nicht aber der Bourgeoisie."
In zijn artikel benadrukte hij dat het goed zou zijn als de allerbeste kamermuziekgezelschappen de strijkkwartetten van Beethoven voor de arbeiders gingen spelen. Hij had er het volste vertrouwen in dat ze deze zouden begrijpen.
In het tweede artikel voor Die Rote Fahne, oktober 1927, ging Eisler een stap verder en formuleerde hij zijn afkeer van de burgerlijke muziekcultuur. Het ging over de moderne muziek. Muziek was oorspronkelijk een gemeenschapskunst, maar in de 19e eeuw ging het steeds meer om de vertolking van persoonlijke gevoelens. In de jaren van 1918 - 1923, de tijd van de inflatie, van de Spartakusopstand, de radenrepubliek München etc., hielden componisten zich bezig met zuiver muziektechnische zaken. Niemand, die ook maar een spoortje van de maatschappelijke gebeurtenissen tot uitdrukking bracht. Dit betekende, volgens Eisler, het einde van de burgerlijke muziek. Zij gaat ten onder, omdat ze geen publiek meer heeft. Eislers hoop is van nu af gevestigd op het proletariaat als schepper van een nieuwe muziek.
Ondanks zijn overtuiging dat de toekomst aan de arbeiders was, heeft Eisler in dit jaar nog pretentieuze liederen geschreven. Tijdens het Festival voor eigentijdse muziek te Baden-Baden, in juli 1927, werd een nieuw werk van Eisler uitgevoerd: de Zeitungsausschnitte für Gesang und Klavier opus 11, een cyclus van acht liederen. De keuze voor de teksten van deze liederen, "uit de krant geknipt" zoals Eisler ze noemde, was bepaald ongebruikelijk voor componisten van zijn tijd. Het gaat om huwelijksadvertenties, om een enquete onder schoolkinderen over leven en dood, een paar kinderliederen uit een arbeidersmilieu, een spotvers uit Soldaat Schweyk en een eigen tekst van Eisler over een boom die niet bloeien wil. Het ging Eisler dan ook duidelijk om een parodie op de burgerlijke concertlyriek, en soms ook zoals uit de liedbegeleiding te horen is op het pathos van Wagners Tristan.
Hier volgt de Frühlingsrede an einen Baum im Hinterhaushof:
Anpassung an das Milieu, wenn ich bitten darf!
Vielleicht meinen Sie, dass es überflüssig ist
in unsrer Zeit zu blühn?
Was sollen junge, zarte Blätter auf den Barrikaden?
Damit hätten Sie gar nicht unrecht, Herr Baum!
Vergessen Sie: es ist Frühling."
Roswitha Trexler: Sopraan
Walter Olbertz: Klavier
Nova, 1971
