BERLIJN

1927

Hanns Eisler raakte betrokken bij de aktiviteiten van de Kommunistische Partei Deutschlands, dankzij zijn broer Gerhart, die hem al vooruitgegaan was naar Berlijn en een belangrijke politieke funktie bij de KPD vervulde. Hanns voelde zich aanvankelijk vooral aangetrokken tot het schrijven van artikelen ten behoeve van de KPD-leden, en dan met name voor de arbeiders onder hen.
Het eerste artikel van Hanns Eisler in het partijorgaan, Die Rote Fahne, verscheen ter gelegenheid van de honderdste sterfdag van Ludwig van Beethoven. Uit wat hij schreef, bleek dat Eisler zich tot taak stelde om de arbeidersklasse te verheffen en op te voeden tot begrip voor de klassieke muziek. Hij wilde laten zien dat de arbeidersklasse, waar hij zichzelf ook toerekende (!), een eigen waarde had tegenover die van de bourgeoisie.

Zijn artikel begon zo:

Ludwig van Beethoven
Zu seinem 100. Todestage am 26. März

"Er war kein Komponist des Proletariat und doch gehört seine Musik
uns, der aufsteigende Arbeiterklasse, nicht aber der Bourgeoisie."

In zijn artikel benadrukte hij dat het goed zou zijn als de allerbeste kamermuziekgezelschappen de strijkkwartetten van Beethoven voor de arbeiders gingen spelen. Hij had er het volste vertrouwen in dat ze deze zouden begrijpen.

In het tweede artikel voor Die Rote Fahne, oktober 1927, ging Eisler een stap verder en formuleerde hij zijn afkeer van de burgerlijke muziekcultuur. Het ging over de moderne muziek. Muziek was oorspronkelijk een gemeenschapskunst, maar in de 19e eeuw ging het steeds meer om de vertolking van persoonlijke gevoelens. In de jaren van 1918 - 1923, de tijd van de inflatie, van de Spartakusopstand, de radenrepubliek München etc., hielden componisten zich bezig met zuiver muziektechnische zaken. Niemand, die ook maar een spoortje van de maatschappelijke gebeurtenissen tot uitdrukking bracht. Dit betekende, volgens Eisler, het einde van de burgerlijke muziek. Zij gaat ten onder, omdat ze geen publiek meer heeft. Eislers hoop is van nu af gevestigd op het proletariaat als schepper van een nieuwe muziek.

--------§§§---------

Ondanks zijn overtuiging dat de toekomst aan de arbeiders was, heeft Eisler in dit jaar nog pretentieuze liederen geschreven. Tijdens het Festival voor eigentijdse muziek te Baden-Baden, in juli 1927, werd een nieuw werk van Eisler uitgevoerd: de Zeitungsausschnitte für Gesang und Klavier opus 11, een cyclus van acht liederen. De keuze voor de teksten van deze liederen, "uit de krant geknipt" zoals Eisler ze noemde, was bepaald ongebruikelijk voor componisten van zijn tijd. Het gaat om huwelijksadvertenties, om een enquete onder schoolkinderen over leven en dood, een paar kinderliederen uit een arbeidersmilieu, een spotvers uit Soldaat Schweyk en een eigen tekst van Eisler over een boom die niet bloeien wil. Het ging Eisler dan ook duidelijk om een parodie op de burgerlijke concertlyriek, en soms ook zoals uit de liedbegeleiding te horen is op het pathos van Wagners Tristan.

Hier volgt de Frühlingsrede an einen Baum im Hinterhaushof:

"Ich bitte Sie sehr, zu blühen, Herr Baum;
vergessen Sie nicht: es ist Frühling!
Streiken Sie wegen dem furchtbaren Lichthof?
Streiken Sie wegen der Schrecklichen Zinskaserne?
Sie werden doch nicht so unmöglich sein,
vom grünen Walde zu träumen.

Anpassung an das Milieu, wenn ich bitten darf!
Vielleicht meinen Sie, dass es überflüssig ist
in unsrer Zeit zu blühn?
Was sollen junge, zarte Blätter auf den Barrikaden?
Damit hätten Sie gar nicht unrecht, Herr Baum!
Vergessen Sie: es ist Frühling."


Roswitha Trexler: Sopraan
Walter Olbertz: Klavier
Nova, 1971

Eisler ergerde zich aan de manier waarop de arbeiders woonden in mensonwaardige huurkazernes.
Hij noemde ze op Weense manier "Zinskaserne".
Hieronder ziet men een binnenhof van een dergelijke kazerne,
waar overigens geen boom te vinden is!

VERVOLG

TERUG

home