BERLIJN

1928

Massaliederen/Strijdliederen
Vanaf 1928 probeerde Eislers zijn doelstelling om muziek te schrijven voor de arbeidersmassa's concreet te maken. Zijn politieke motivatie kwam ondermeer voort uit de erbarmelijke omstandigheden waaronder de arbeiders leefden. De Weimarregering, die in 1919 aangetreden was en geleid werd door sociaal-democraten, katholieken en liberalen, verwaarloosde de positie van de arbeiders ten gunste van de maatschappelijke bovenlaag. De kloof tussen rijk en arm groeide: terwijl de produktie toenam, mede als gevolg van de mechanisering in de industrie, verdienden de arbeiders steeds minder en nam het aantal werklozen toe. De enige partij die voor de arbeiders opkwam was de KPD. Om de bewustwording van de massa's over de onrechtvaardige verhoudingen te vergroten besloot de partij de agit-propbeweging te versterken, de beweging voor agitatie en propaganda. Overal in de grote steden van Duitsland werden agit-propgroepen gevormd die, vaak onder leiding van kunstenaars, de arbeidersstrijd tegen het regeringsbeleid gingen ondersteunen met politiek theater, waarbij zang en spreekkoren een belangrijk element vormden. Eén van de bekendste groepen in Berlijn was Das Rote Sprachrohr onder leiding van Maxim Vallentin. Hanns Eisler sloot zich bij deze groep aan als dirigent, componist en pianist. Op een tekst van Vallentin schreef hij begin 1928 het herkenningslied van de groep Wir sind das Rote Sprachrohr: Muziek:


Männerchor der Berliner Singacademie,
Ed. Barbarossa, 1984

De agit-propbeweging gaf Eisler de mogelijkheid om de arbeidersstrijd muzikaal te ondersteunen. Met zijn engagement voor Das Rote Sprachrohr begon Eislers bekendheid als componist van strijdliederen voor de massa. Hij schreef in de loop der jaren talloze strijdliederen, die in alle delen van het land en ook internationaal bekend werden. Voorbeelden zijn: Kominternlied, Der Rote Wedding, Der heimliche Aufmarsch. . Het Kominternlied, op tekst van Maxim Vallentin en Fritz Jahnke, werd geschreven in 1929 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Kommunistische Internationale. De melodie van dit lied gebruikte Eisler ook voor andere composities, onder andere voor het 6e deel van zijn Orkestsuite nr.5, en voor het Lied der Werktätigen uit 1957. Der Rote Wedding en Der heimliche Aufmarsch zijn beide op tekst van Erich Weinert. Het eerste lied was het lijflied van "Roter Wedding", de agit-propgroep uit de arbeiderswijk Berlijn-Wedding, en Der heimliche Aufmarsch werd door "Das Rote Sprachrohr" bij een propaganda-bijeenkomst gezongen.

Muziekvoorbeeld:
laatste bladzijde van "Der Rote Wedding"

Het was duidelijk dat zijn liederen de grote massa's aanspraken; ze waren krachtig en uitgesproken politiek. Eisler gebruikte soms maatwisselingen en bij meervoudige bezetting, zoals bij een blaasensemble, schreef hij polifone tegenstemmen ter afwisseling van de melodie. Het ritme, ondersteund door stevige bassen, was vaak syncopisch en had, zoals in bovenstaand voorbeeld, dikwijls een veerkrachtig marskarakter. De atonaliteit had hij laten schieten, meestal schreef hij tonaal, maar ook gebruikte hij oude kerktoonsoorten (modale reeksen).

Het leek wel of hij een zwaai van 180 graden gemaakt had: komend vanuit de esoterische wereld van de Schönberg-atonaliteit, stond hij nu ineens met beide benen op de grond van de maatschappelijke werkelijkheid van de arbeidersstrijd, die hem dwong een nieuwe stijl toe te passen. Hij schreef liederen die onmiddellijk zingbaar waren voor grote massa's.

--------§§§---------

Koorliederen
Eisler schreef behalve de massaliederen, die iedereen mee kon zingen, ook meer pretentieuze liederen voor geoefend koor. Hij was hiermee in 1925 begonnen met de compositie Drei Männerchöre opus 10 op tekst van Heinrich Heine. Deze liederen waren nog in Wenen geschreven en waarschijnlijk bedoeld voor de Wiener Arbeiter Singverein onder leiding van Anton Webern. In 1928 en 1929 schreef hij verscheidenen liederen voor het koor van zijn vroegere studiegenoot Karl Rankl, die de leiding had van het Berliner Schubertchor. Het gaat om de volgende liederen:

* Vier Stücke für gemischten Chor opus 13 (tekst: Hanns Eisler)
Nr.1: Vorspruch
Nr.2: Gesang der Besiegten
Nr.3: Naturbelebung
Nr.4: Kurfürstendamm

* Zwei Männerchöre opus 14 (tekst: traditioneel en Hanns Eisler)
Nr.1: Bauernrevolution
Nr.2: Kurze Anfrage (Lied der Arbeitslosen)

* Auf den Straßen zu singen opus 15 (tekst: David Webern)

Eisler wilde dat de arbeiderskoren op een nieuwe manier gingen zingen. Het was niet de bedoeling om met zoetgevooisde stem te zingen, maar het ging er om een politieke boodschap duidelijk over te brengen. De koorleden moesten de tekst goed kennen en begrijpen en met elkaar bediscussiëren. Soms wilde hij zelfs dat de liederen theatraal gebracht werden. Voor het mannenkoor bij opus 14 gaf hij de volgende aanwijzingen:
nummer 1, "Bauerrevolution" moet zeer ruw en wild gezongen worden,
nummer 2, "Lied der Arbeitslosen" moet gezongen worden met de handen in de zakken, een sigaret in de mondhoek, met vermoeide houding en met rauwe stem, zodat de luisteraars niet in de verleiding komen weg te dromen.


Eisler en Karl Rankl, koordirigent aan de Kroll-opera
en leider van het Berliner Schubert-Chor.

Eislers koorliederen hadden groot succes. Zelfs tijdens een concert van het Internationale Gezelschap voor Nieuwe Muziek (het IGNM) in Berlijn in juni 1929 werden Eislers arbeidersliederen met succes uitgevoerd, na composities van Jarnach, Hindemith en Pfitzner. Dat was verwonderlijk daar deze organisatie niet uitblonk in politieke stellingname voor de arbeiders. Lovende woorden kwamen ondermeer van een recensent die schreef: "Hier openbaarde zich een kunstenaar wiens doel het niet alleen is zich met kunstproblematiek bezig te houden, maar met de conceptie van een muziek die uit een nieuw klassenbewustzijn voortkomt (...) het artistieke werk van Eisler staat op een hoogte die de klassieke koorzang evenaart."

Ook in de navolgende jaren heeft Eisler koormuziek geschreven. Het aantal zangkoren dat zijn liederen zong nam toe. Composities uit die tijd zijn:

1929: Zwei Männerchöre, opus 17:
1. Der Streikbrecher, 2. An Stelle einer Grabrede.

1929: Zwei Stücke für gemischten Chor, opus 19
1. Ferner streiken, 2. In den Militärbaracken.

1930: Zwei Stücke für gemischten Chor, opus 21
1. Liturgie vom Hauch, 2. Über das Töten.

1930: Zwei Männerchöre, opus 35
1. Kohlen für Mike, 2. Die erfrorenen Soldaten.

VERVOLG

TERUG

home